Luthervesper, inleiding op het thema en de lezing: Romeinen 3, 21-31

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Hoe krijg ik een genadig God? Met deze vraag worstelde de monnik Maarten Luther. Hoe kan ik in volle vrijheid tegenover God staan en leven? Hoe kan ik de angst loslaten? Luther, zich scherp bewust van zijn falen, wist geen uitweg. Het lezen van de Romeinenbrief bracht uiteindelijk het bevrijdende inzicht dat een mens leeft met lege handen en niets heeft in te brengen. En dat dat goed is en heilzaam. Het is genade dat God naar ons omziet, ons aanneemt als rechtvaardig en onze zonden vergeeft, zegt Paulus in de Romeinenbrief. Ik hoef mezelf niet te bewijzen. Ik hoef niet eindeloos van alles en nog wat te ondernemen. Ik mag er gewoon zijn, mijn zonden zijn vergeven.

Zonde. Een woord dat we niet zo gauw in de mond nemen.

Het is te besmet geraakt met specifieke daden, die als zondig werden beschouwd. Maar wat zeg je eigenlijk als je dat woord in je mond neemt? Gaat het om een enkele of meerdere daden? Ik denk dat het bijbelser is om bij zonde niet aan specifieke fouten te denken, maar vooral aan gemiste kansen, aan datgene wat niet tot zijn bestemming kon komen. aan wat tussen mensen spaak liep en kapot ging. Zonde vertelt iets over de gebrokenheid van deze wereld, over de kwetsbaarheid van mensen, over hoe we elkaar soms pijn doen, niet de ruimte geven om tot bloei te komen. Zonde is veel meer dan een kleine stiekeme daad. Het laat zien dat het leven niet van ons is, niet maakbaar, dat ondanks al onze goede bedoelingen soms dingen stukslaan.

Eigenlijk zoals we zien op het altaar van Willem Zijlstra. Gemaakt uit stapels kranten. Het nieuws van elke dag, vol van geweld, van oorlog en nood. Als je goed kijkt zie je bovenaan nog die ene kop: “de mens is tot alles in staat”. Tot alles in staat, tot daden van absolute menslievendheid en tot daden van absolute haat en alles daar tussenin. Tot het bedwingen van de zee en tot het vernietigen van de aarde met een druk op de knop. De mens is tot alles in staat. Bovenop ligt het lam. Van oudsher teken van onschuld en weerloosheid. Slachtoffer van tomeloos geweld. Het kijkt ons aan. Als ervaren kerkgangers horen we onszelf zingen: Lam van God, dat wegneemt de zonden van heel onze wereld, geef uw ontferming. Je zou het dit lam toe willen zingen, vergeef ons onze schuld.

En bij het lam worden we herinnerd aan al die andere slachtoffers. We zien hen in bootjes op de zee, in kapotte huizen na de storm, in de jongere die het geluk maar niet weet te vinden, in de oudere, eenzaam in het verpleeghuis. We zijn tot alles in staat….

En we zien die ene man van God in ons midden. We zien de beelden van hoe Hij in weerloosheid wordt meegevoerd, verguisd en vermoord. Slachtoffer van destructieve krachten. Of toch niet…

We horen ook het andere lied, van God die naar ons omziet, die ons lijden, onze pijn, onze gemiste kansen zelf draagt. Die bij ons blijft ook als het donker om ons heen is. Die deelt in ons bestaan tot in de nacht van de dood.

Is dat dan genade? Ik denk het wel. We hebben niets dan onze lege, vuile handen. En dat is genoeg. Je mag er zijn, met alles wat goed, mooi en heel is in je leven en met alles wat donker, lelijk en gebroken is.

Luther vond in de Romeinenbrief zijn genadebrood. Hij mocht ervaren dat Gods genade genoeg is om mee te leven en te sterven. We hoeven niets in te brengen, geen geweldige daden, geen krachtige woorden, want we leven van genade, van genadebrood uit zijn hand ontvangen, van licht dat de nacht openbreekt. Verwonderd mogen we vaststellen dat we geraakt worden door dat licht. Dat licht dat ons tevoorschijn roept en zegt: jij mag er zijn, je bent goed zoals je bent, je bent mijn geliefde kind.

AGNUS DEI

Plotseling draai ik mij om.

Het verbergt zich niet langer,

heeft zich in mij blootgewoeld.

Terwijl ik nader word ik

doorzien. Het is een bloem

die ik niet ken, die mij

heeft herkend, mij aan land brengt,

mij geleidelijk neerlegt zoals

de zee soms doet met iemand

die moet zijn verdronken.

 

Hans Faverey

Amen.