Preek n.a.v. Lucas 14, 1-11 op zondag 8 oktober

Gemeente van onze Heer Jezus Christus,

Zijn gelovigen betere mensen? Zijn de volgelingen van Jezus de stralende voorbeelden van goedheid? Zijn wij rechtvaardiger, eerlijker en liefdevoller dan de gemiddelde Nederlander? Of toch niet en is enige bescheidenheid op zijn plaats?

Hoe zou het ons vergaan als Jezus aanschoof bij de zondagse maaltijd en we in gesprek raakten over allerlei ethische kwesties en onze levenshouding. Zou hij ons terecht wijzen? Ons een andere plaats wijzen aan de tafel?

Jezus zit aan tafel bij een aantal belangrijke religieuze opinon leaders. Misschien hebben ze elkaar hiervoor in de synagoge getroffen en wordt hun gesprek nu voortgezet aan tafel. Zoals ook wij soms aan de koffie na kerktijd nog even napraten over de dienst en de ontmoetingen daar. Stiekem hoop ik dan dat u aan het denken bent gezet in de dienst en daar nog met elkaar over verder praat.

In de bijbel is de maaltijd nog veel belangrijker dan bij ons. Het is de ontmoetingsplek bij uitstek. Met wie je eet zegt iets over wie je bent en je plek aan tafel is daarbij niet willekeurig gekozen. Iets herkennen we nog als bij bruiloften een tafelschikking wordt gemaakt. De plaats het dichtst bij het bruidspaar is ook vandaag nog altijd de ereplek.

Als uit het niets verschijnt een man die vocht vasthoudt aan de tafel. Is hij daar gebracht als een soort studieobject? Heeft hij een hongeroedeem? Het verhaal vertelt het niet. Hij lijkt gebruikt te worden als een voorbeeld bij de vraag wat je nu wel of niet op sabbat mag doen. Jezus geneest hem. Op de sabbat die een voorafspiegeling is van Gods koninkrijk, mogen kwetsbare mensen weer op adem komen, leven vinden, toekomst. Probeer deze man nu niet te zien als een studieobject, maar als je zoon! Dan denk je waarschijnlijk wel wat anders, dan krijgt deze mens een gezicht en wordt hij een naaste in plaats van een interessante casus.

Vervolgens vertelt Jezus de bekende gelijkenis over het kiezen van je plaats bij een feestelijke maaltijd. Ga nu niet op de belangrijkste plaats zitten, maar kies eerder voor een bescheiden plek.

Deze gelijkenis roept bij mij verschillende gedachten op.

Zo heb ik een ontzettende hekel aan de uitspraak: wees jij maar de minste! Omdat die uitspraak vooral wordt gebruikt tegenover mensen die zichzelf vaak toch al niet zo belangrijk vinden. Daarmee handhaaft de spreker zich op de voorgrond en blijven alle verhoudingen zoals ze altijd zijn geweest.

Tegelijkertijd ben ik me ervan bewust dat niet iedereen graag in het middelpunt van de aandacht staat. Er zijn ook mensen die van nature graag op de achtergrond blijven, daar voelen ze zich veiliger en beter op hun plaats. Hen hoef je niet te vragen de plaats op de achtergrond als eerste te kiezen, want het is de plek waar ze zich het prettigste bij voelen. Of ze dat overigens doen vanuit nederigheid of vanuit een verlangen naar veiligheid is niet altijd duidelijk.

Wat wordt er eigenlijk bedoeld met die uitspraak: ga niet op de belangrijkste plaats zitten?

Ik vermoed dat het inderdaad met nederigheid te maken heeft. Toen ik deze week wat googelde op dat woord, viel me op dat het niet zo’n negatieve bijklank heeft als ik vaak denk. Het bleek zelf een woord te zijn dat het goed doet in managementcursussen. Dat vraagt een omslag in het denken, maar wel eentje die ik zeer waardeer. Ik waag een poging iets te zeggen over nederigheid in bijbels perspectief en wat lijntjes te trekken naar wat nederigheid voor ons zou kunnen betekenen.

 

Misschien is het beter om in plaats van nederigheid, het woord deemoed te gebruiken. De klank van deemoed is een andere, omdat het woord moed erin zit. Het is blijkbaar dapper om nederig te zijn. Nederigheid is daarbij niet te verwarren met zelfvernedering. Ik heb niet zo veel met mensen die zichzelf geselen en in de modder wentelen. Ik geloof niet in zelfverachting en kan me niet voorstellen dat we zo zijn bedoeld. Er straalt voor mij toch altijd iets af van zie mij, zie mij nu eens goed nederig zijn. Voor je het weet bereik je het omgekeerde effect en ben je vooral bezig om op deze wijze de aandacht naar jezelf toe te trekken. Ik ga stilletjes in een hoekje staan om zo de aandacht op me te vestigen. Ik ben zo bescheiden over mezelf dat iemand vast gaat zeggen dat ik eigenlijk best heel goed ben.

 

Nederigheid, humilitas, in het Latijn, heeft een andere klank. Er zit het woord humus in, wat aarde betekent. Nederigheid, deemoed, het heeft blijkbaar met aardsheid te maken, met je beide benen vast op de grond staan. Het is een stevig woord, een woord dat kracht en stabiliteit uitstraalt. Hier staat een mens die niet gevangen is in een dromerig ideaalbeeld van zichzelf, maar iemand die nuchter in de spiegel kijkt en daar zichzelf in de ogen durft te zien.

Wie eerlijk durft te kijken, wie deemoedig durft te zijn, zal in de spiegel een mens zien die mogelijkheden en kansen heeft, maar die tegelijkertijd faalt en tekort schiet. Eerlijk naar jezelf kijken biedt ruimte om toe te geven dat je niet volmaakt bent. Je bewust worden van je falen en van je tekort schieten kan je lam slaan, maar dat hoeft niet. Het kan je ook in alle nuchterheid helpen te accepteren dat ook jij, om het maar met een mooi traditioneel woord te zeggen, een zondaar bent. Een mens die zijn best doet, maar soms ook gewoon jaloers is, of hebzuchtig, of oneerlijk, of lelijk of dwars. Een mens die niet voldoet aan het ideaalbeeld, die zijn doel mist, die vergeet naaste te zijn, die niet als God is. Het mag ons bescheiden maken, zonder dat we onszelf hoeven te vernederen.

Met je voeten in de klei kun je toegeven dat je niet volmaakt bent. Wat een ruimte biedt deze waarneming. Want op dat moment kun je naar anderen kijken met een zekere mildheid. Ik ben niet volmaakt, jij ook niet, maar we zullen het met elkaar moeten rooien, we zullen voor elkaar ruimte moeten maken, in al onze kwetsbaarheid.

Stephan de Jong citeert in zijn boekje: de kleine weg en het grote geluk, als hij spreekt over deemoed, de Engelse priester en theoloog Timothy Ratcliffe: (p.60)

‘Nederigheid geeft me een gepaste ambitie voor wat ik doen kan; het bevrijdt me van fantasieën over dingen waartoe ik niet in staat ben.’

En dan geeft nederigheid opeens ruimte. We mogen een nuchter beeld van onszelf koesteren. Er zijn zaken die we niet kunnen, die ons bij de handen afbreken, we zijn mensen met tekorten. We mogen streven naar zelfkennis en zelfrelativering. Het is niet erg dat je niet alles kan. Het kan van nederigheid getuigen om los te laten wat te groot voor je is. Mensen met een dergelijke levenshouding zijn vaak prettig om bij in de buurt te zijn. Ze geven ruimte, ze stellen geen onmogelijke eisen. Ze dagen je enerzijds uit de beste versie van jezelf te worden, maar houden je ook voor dat je niet volmaakt hoeft te zijn. Het zijn mensen die bereid zijn te falen, die leren van wat er mis ging en die bovenal jou de kans geven fouten te maken en ervan te leren. Ze leven je voor dat het geen ramp is om te leven van genadebrood en bieden je een plek onder Gods zon. Natuurlijk weten ze dat het gras groener is bij de buren, maar ze zijn tegelijkertijd in staat om te genieten van hun eigen grasveldje. Ze zijn prima tafelgenoten en helpen je om het leven te accepteren, ook als je niet alles krijgt waar je van droomt.

Zo nodigt Jezus ons uit om met open ogen, deemoedig in het leven te staan. Zijn gelovigen betere mensen dan anderen? Nee, natuurlijk niet. We doen ons best, maar zijn bescheiden en nuchter over de resultaten. Nederig leven betekent dus, zoals Paulus ons op het hart drukt in de Efezenbrief:

God heeft jullie uitgekozen. Denk daarom niet aan jezelf, maar wees vriendelijk en geduldig. Verdraag elkaars fouten en houd van elkaar.

Deze schijnbaar eenvoudige taak zullen we in alle nuchtere bescheidenheid op ons mogen nemen, met vallen en opstaan, want we zijn nu eenmaal, niet volmaakt, maar toch geliefd….

Amen.